HIV/AIDS

Introductie
Het Humaan Immunodeficiëntie Virus (HIV) vermenigvuldigt zich in de cellen van het afweersysteem van iemand die is besmet. Deze menselijke gastheercel is een bepaalde witte bloedcel, de zogenaamde Thelper-lymfocyt, ook wel CD4 cel genoemd. De CD4 cellen waarin het virus zich vermenigvuldigt zijn heel belangrijke cellen van ons afweersysteem. Zij activeren de andere cellen van ons afweersysteem om infecties met bacteriën, schimmels, virussen en andere micro-organismen op te ruimen.
Het HIV virus bestaat uit het erfelijk materiaal RNA (Ribonucleïnezuur) in de binnenste kern met daarom heen een uitwendig kapsel waarmee het zich hecht aan de CD4 cel. Het HIV virus versmelt met de CD4 cel waardoor het virale RNA in de menselijke gastheercel komt. Het RNA is van belang voor de vermenigvuldiging van het virus. Daarvoor wordt het virale RNA omgezet in viraal DNA (Deoxynucleïnezuur) dat vervolgens wordt ingebouwd in het menselijke DNA in de kern van de CD4 cel (ons erfelijke materiaal). Aan de hand van de informatie van het ingebouwde DNA worden nieuw viraal RNA en viruseiwitten gemaakt, die samen weer nieuwe virussen vormen. Deze nieuwe virussen gaan de CD4 cel uit, en kunnen dan weer nieuwe CD4 cellen infecteren.

Model van het HIV virus

Figuur: de levenscyclus van het HIV virus laat zien hoe het virus zich vermenigvuldigd.
De oorzaak van een infectie met HIV virus
Het HIV virus wordt overgedragen via lichaamsvloeistoffen die een grote hoeveelheid virussen bevatten, zoals bloed, sperma, vaginaal vocht en moedermelk. De mogelijkheden van overdracht met een hoog risico op infectie zijn:
- seksuele overdracht tijdens niet-beschermd geslachtsverkeer
- overdracht tijdens drugsgebruik met gezamenlijk gebruikte naalden
- tijdens de zwangerschap via de navelstreng, op het moment van de bevalling of tijdens de borstvoeding
- bloed en bloedproducten, zoals frequente bloedtransfusies. In Nederland komt dit niet meer voor want tegenwoordig wordt al het bloed gecontroleerd op de aanwezigheid van het HIV virus.
Diagnose en het gevolg van de infectie
Een infectie met het HIV virus wordt middels een bloedonderzoek vastgesteld. Er wordt onderzocht of antistoffen tegen het HIV virus in het bloed zitten, deze antistoffen worden door de menselijke afweer aangemaakt om het virus te bestrijden.
Net als bij andere virale infecties zijn antistoffen pas na enkele weken aantoonbaar. Men spreekt van een 'window fase' tussen het moment van de infectie en het moment waarop antistoffen detecteerbaar worden. In veel gevallen is die window fase 3-6 weken. Bij veruit het merendeel van de HIV-seropositieve patiënten zijn binnen 3 maanden antistoffen aantoonbaar gebleken. Bij een relatief laag percentage patiënten kan de window fase echter tot 6 maanden duren. Daarom is het algemene advies om pas na 6 maanden na een potentiële infectie een definitieve uitspraak over de afwezigheid van antistoffen te doen.
Het HIV virus vermenigvuldigt zich in de CD4 cellen waardoor deze uiteindelijk worden vernietigd. Hoe meer virus iemand in zijn bloed heeft (een hoge virale lading) hoe meer CD4 cellen vernietigd worden. Aangezien de CD4 cellen nodig zijn om het afweersysteem te activeren, zal de afweer van de geïnfecteerde persoon steeds verder afnemen.
De eerste jaren van de HIV-infectie merkt de patiënt niets van de infectie, het aantal CD4 cellen neemt af zonder dat dit verder opvalt. Er zijn nog genoeg cellen over om de afweer in stand te houden. In dit stadium zegt men dat een persoon geïnfecteerd is met HIV of "seropositief" is. Maar na meerdere jaren is het aantal CD4 cellen zo laag geworden dat de patiënt AIDS krijgt (Acquired Immunodeficiency Syndrome, of te wel het verworven immunodeficiëntiesyndroom).
Het afweersysteem werkt niet meer en tamelijk onschuldige ziektekiemen kunnen aanleiding geven tot zogenaamde opportunistische infecties. Dit zijn infecties die worden veroorzaakt door micro-organismen die gewoonlijk niet ziekteverwekkend zijn voor mensen met een goede gezondheid. Maar omdat een AIDS patiënt zo weinig CD4 cellen over heeft, kunnen deze normaal gesproken ongevaarlijke micro-organismen infecties veroorzaken. Dergelijke infecties kunnen dodelijk zijn voor de AIDS patiënt.
AIDS wordt gekenmerkt door de ontwikkeling en opeenstapeling van opportunistische infecties en bepaalde vormen van kanker. AIDS patiënten kunnen bijvoorbeeld gaan lijden aan een longontsteking door de parasiet Pneumocystis carinii of een toxoplasmose infectie. Ze kunnen ook een lymfoom of het Kaposi-sarcoma, een kwaadaardig gezwel van de bloedvaten in huid, krijgen. Zonder doeltreffende behandeling, zullen de opportunistische infecties leiden tot de dood van de patiënt.
Behandeling
Tegenwoordig kan de vermenigvuldiging van het virus met antivirale geneesmiddelen vertraagd worden. Antivirale medicijnen uit verschillende klassen remmen de ontwikkeling van het virus in verschillende stadia van zijn vermenigvuldigingsproces. Zij worden steeds in combinatietherapie gebruikt, waarbij meerdere geneesmiddelen uit verschillende medicijnklassen worden gecombineerd.
Combinatietherapie van minstens 3 verschillende medicijnen heet HAART (Highly Active Antiretroviral Therapy, oftewel krachtige anti-HIV behandeling). Dankzij deze combinatietherapie kan de vermenigvuldiging van het virus zodanig beperkt worden dat de virale lading wordt teruggevoerd tot een niveau waarop het virus niet meer aan te tonen is. Hierdoor kan een voldoende sterk afweersysteem behouden blijven om infecties te bestrijden. Deze geneesmiddelen bieden echter geen genezing. Als iemand seropositief is, is hij dit voor de rest van zijn leven.
Er zijn 5 klassen medicijnen beschikbaar die ingrijpen op de 4 specifieke processen van het vermenigvuldigingsproces van het virus:
- Proteaseremmers (PIs) verhinderen dat het virus bepaalde eiwitten (proteïnen) maakt die nodig zijn bij de bouw van nieuwe virussen.
- Reverse transcriptaseremmers (RTIs), onder te verdelen in nucleoside RT-remmers (NRTIs of NUCs) en non-nucleoside RT-remmers (NNRTIs). Ze zorgen ervoor dat het virus RNA niet omgezet wordt naar viraal DNA. Zo verhinderen zij dat er DNA van het virus wordt gemaakt, waardoor er geen nieuwe virussen gemaakt kunnen worden.
- Integraseremmers verhinderen de opname van het door het virus gevormde DNA in het menselijke DNA. Deze medicijnen zorgen ervoor dat het virale DNA niet op de juiste plaats wordt ingebouwd, waardoor het niet goed kan functioneren.
- Fusieremmers (FI) verhinderen dat het virus de CD4 cellen binnendringt en beschermt hen zo tegen besmetting. Er is een remmer van de binnenkomst van het virus in de CD4 cel en een remmer van het samensmeltingproces tussen het HIV virus en de CD4 cel.

Figuur: in de levenscyclus van het HIV virus is aangeven waar de verchillende geneesmiddleen werken.
Hoe een HIV-infectie voorkomen - preventie
De enige efficiënte bescherming tegen een HIV-infectie is het vermijden van besmetting.
Beschermingsmaatregelen om besmetting te vermijden:
- condooms gebruiken
- uitsluitend persoonlijke spuiten of spuiten met nieuwe naalden gebruiken
- wegwerphandschoenen gebruiken in geval van risico op rechtstreeks bloedcontact.
Aanvullende informatie
Meer informatie kunt u aanvragen op onderstaande adres:
HIV vereniging Nederland
Eerste Helmersstraat 17
1054 CX Amsterdam
Postbus 15847
1001 NH Amsterdam
Tel: 020-616 01 60
Servicepunt: 020-689 25 77
E-mail: info@HIVnet.org
Website: www.HIVnet.org