Lymfklierkanker
Het lymfestelsel is een ingenieus systeem van vaten en klieren door het hele lichaam. De functie is het verzamelen en zuiveren van weefselvocht, ook wel lymfevloeistof of lymfe genoemd, en dit vervolgens afvoeren naar de bloedbaan. Het zuiveren gebeurt in de lymfklieren. Deze klieren bevatten een grote hoeveelheid witte bloedcellen, waaronder lymfocyten, die bacteriën en virussen vangen en opruimen.
Lymfocyten zijn afweercellen die zich bevinden in lymfklieren, bloed, beenmerg en de milt. Ze spelen tevens een rol bij het voorkomen van kanker door de uitgroei van zieke lichaamscellen in een vroeg stadium te voorkomen. Er zijn twee typen lymfocyten, B-lymfocyten en T-lymfocyten. Non-Hodgkin lymfoom is een verzamelnaam voor ongeveer 30 verschillende vormen van lymfklierkanker. Bij non-Hodgkin lymfoom groeien en delen abnormale lymfocyten ongecontroleerd. Veelal verzamelen de zieke cellen zich in de lymfklieren, die daardoor opzwellen. Vandaar dat non-Hodgkin lymfoom ook wel lymfklierkanker genoemd wordt. Doordat de zieke lymfocyten zich door het hele lichaam verspreiden kunnen ook in andere delen van het lichaam ophopingen van abnormale lymfocyten ontstaan.
In Nederland wordt jaarlijks bij ongeveer 2.500 mensen de diagnose non-Hodgkin lymfoom gesteld.
Non-Hodgkin lymfomen zijn grofweg in te delen in:
- indolente en
- agressieve lymfomen
Indolent betekent dat de kankercellen zich langzaam vermenigvuldigen. Agressieve lymfomen groeien en verspreiden zich snel. Bij indolent non-Hodgkin lymfoom komen in het begin van de ziekte meestal geen of weinig symptomen voor. Daarom duurt het vaak lang voordat de ziekte herkend wordt. Als bij diagnose symptomen afwezig zijn wordt niet altijd direct een behandeling ingesteld. Wanneer de behandeling gestart wordt zal deze in de meeste gevallen effectief zijn: de ziekte neemt af of verdwijnt volledig. Alhoewel de ziekte soms jaren kan wegblijven zal deze echter in de meeste gevallen weer terugkomen en er moet dan opnieuw een behandeling ingesteld worden.
Agressieve non-Hodgkin lymfomen ontwikkelen zich doorgaans snel en moeten onmiddellijk worden behandeld nadat de diagnose is gesteld. De ziekte veroorzaakt in het algemeen al klachten op het moment dat de diagnose wordt gesteld. De behandeling van deze lymfomen slaat vaak erg goed aan en er is een reële kans op genezing.
Oorzaak
Over de oorzaken van non-Hodgkin lymfoom is momenteel nog maar weinig bekend.
Mogelijke risicofactoren zijn:
- verminderde afweer bijvoorbeeld door ziekte, bepaalde geneesmiddelen of bestraling
- bepaalde virale of bacteriële infecties
- een vetrijk dieet
- non-Hodgkin lymfomen komen vaker voor bij ouderen en mannen
Diagnose en stadiëring
Voordat de diagnose non-Hodgkin lymfoom kan worden gesteld dient een aantal onderzoeken plaats te vinden. Aanvullend onderzoek zal plaatsvinden om het stadium en de prognose van de ziekte vast te stellen.
Biopt - De belangrijkste manier om de diagnose non-Hodgkin lymfoom te stellen is door het nemen van een weefselstukje (biopt) uit een afwijkende lymfklier of een andere aangedane plek en dit vervolgens te beoordelen onder een microscoop.
Bloedonderzoek - Daarnaast vindt meestal bloedonderzoek, beenmergonderzoek en een ruggenprik plaats. Dit laatste onderzoek is om te controleren of de ziekte zich niet naar het centrale zenuwstelsel heeft uitgebreid.
Echo-onderzoek, röntgenfoto's en CT-scans - Beeldvormende technieken, waaronder echo-onderzoek, röntgenfoto's en CT-scans worden gebruikt om de locatie van het lymfoom, de uitgebreidheid van de ziekte en het effect op andere organen vast te stellen.
Ziektegeschiedenis - Verder wordt de volledige ziektegeschiedenis opgenomen met speciale aandacht voor het optreden van de zogenoemde ‘B-symptomen' (koorts, nachtzweten en gewichtsverlies).
Ann-Arbor-stadiëringssysteem - Door middel van het Ann-Arbor-stadiëringssysteem wordt aangegeven in welke mate de ziekte zich door het lichaam heeft verspreid. Hierbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van ziekte boven en onder het middenrif en de aanwezigheid van ziekte buiten de lymfklieren. Het systeem houdt verder rekening met de aanwezigheid van B-symptomen. In figuur 1 zijn de verschillende stadia volgens Ann-Arbor weergegeven.

figuur 1
De prognose wordt bepaald met behulp van een zogenoemde prognostische index (IPI). Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder andere leeftijd, stadium, lichamelijke conditie, bloedonderzoek en lokalisaties.
Behandeling
Voor patiënten met non-Hodgkin lymfoom is een aantal behandelingsmogelijkheden beschikbaar. Factoren die invloed hebben op de wijze van behandelen zijn het type lymfoom, het stadium van de ziekte, de prognose en de aanwezigheid van symptomen.
Waakzaam afwachten - Sommige patiënten bij wie de diagnose indolent non-Hodgkin lymfoom wordt gesteld en die geen symptomen of ongunstig risicioprofiel hebben, beginnen niet onmiddellijk met een actieve behandeling - er wordt een beleid gevoerd van waakzaam afwachten (‘watch and wait').
De patiënten worden zorgvuldig gemonitord op eventuele veranderingen of progressie van de ziekte. Wanneer er symptomen ontstaan, het lymfoom een substantiële omvang bereikt of afwijkingen in het beenmerg ontstaan, wordt een behandeling ingesteld.
Chemotherapie - Chemotherapie is het gebruik van geneesmiddelen om snel groeiende cellen, waaronder lymfoomcellen, te doden. Dit is een vaak toegepaste behandeling voor patiënten met non-Hodgkin lymfoom en kan worden gegeven in de vorm van één middel of als combinatie van een aantal geneesmiddelen.
Deze behandeling wordt afgestemd op de specifieke ziektebehoeften van de patiënt en wordt meestal gecombineerd met een behandeling met monoklonale antistoffen of soms met radiotherapie.
Monoklonale antistoffen - De monoklonale antistof rituximab richt zich specifiek tegen non-Hodgkin lymfomen die zijn ontstaan uit B-lymfocyten. Het vernietigt lymfoomcellen door het afweersysteem van het lichaam aan te zetten om doelgericht de lymfoomcellen aan te vallen en te vernietigen. In sommige gevallen wordt er voor gekozen een monoklonale antistof te voorzien van een radioactief label.
Afweersysteem
Radiotherapie - Gebruik van straling met een hoge energie om lymfoomcellen te doden of hun groei en ontwikkeling te vertragen. De bestraling kan plaatselijk zijn of het gehele lichaam betreffen, afhankelijk van de uitgebreidheid van de ziekte.
Beenmergtransplantatie - Deze intensieve behandelingsmogelijkheid wordt gereserveerd voor patiënten bij wie de ziekte na eerdere behandeling terugkeert of die onvoldoende reageren op chemotherapie. Bij deze moeilijk te behandelen patiënten worden hoge doseringen chemotherapie toegepast die de lymfoomcellen doden. Omdat deze behandeling echter ook de beenmergcellen doodt en daarmee voorkomt dat nieuwe bloedcellen worden geproduceerd is een transplantatie met eigen beenmergcellen of met die van een donor noodzakelijk.