Doelgerichte therapie en immuuntherapie

Longkanker is nog steeds één van de dodelijkste vormen van kanker. Toch zijn de ontwikkelingen van de laatste jaren hoopgevend, vooral omdat ze elkaar zo snel opvolgen en aanvullen. Er lopen tal van onderzoeken, die steeds nieuwe wapens in de strijd tegen longkanker opleveren.

Wat is longkanker?

Bij longkanker is er sprake van een ongeremde celgroei in of van het weefsel van de longen. Hoewel we vaak spreken over dé ziekte longkanker, is het niet slechts één ziekte. Wetenschappers en artsen hebben de afgelopen jaren zo’n veertig soorten longkanker ontdekt. En het onderzoek naar nieuwe varianten gaat door. De belangrijkste onderverdeling van longkanker is kleincellige en niet-kleincellige longkanker.

Kleincellige longkanker

Ongeveer 20% van de longkanker is kleincellig. Bij deze vorm van longkanker gaat het om heel kleine cellen, die zich razendsnel delen. Hierdoor kunnen zij zich ook sneller door het lichaam verspreiden dan de niet-kleincellige soort. Vaak is kleincellige longkanker dan ook al uitgezaaid op het moment dat er klachten ontstaan.

Niet-kleincellige longkanker

80% van de mensen met longkanker hebben niet-kleincellige longkanker. Er zijn verschillende behandelmethoden voor niet-kleincellige longkanker. Welke behandeling er wordt gekozen, hangt af van het soort longkanker en het stadium waarin de ziekte zich bevindt. Het is dus belangrijk om te weten welk type longkanker het is om een specifieke behandeling te kunnen kiezen.

Mutaties van DNA

Decennia lang had een arts bij longkanker eigenlijk maar één medicamenteuze behandeling tot zijn beschikking: chemotherapie. De laatste jaren zijn de ontwikkelingen razendsnel gegaan. Vroeger dachten we dat er maar twee typen longkanker waren: niet-kleincellige longkanker en kleincellige longkanker. Wordt iemand vandaag de dag in een ziekenhuis onderzocht op verdenking van longkanker, dan wordt er niet alleen gekeken naar het type cel waaruit de longkanker is ontstaan, maar ook of er sprake is van specifieke veranderingen (mutaties) in het DNA van de kankercel. Als deze mutaties niet gevonden worden, volgt de standaardbehandeling bestaande uit een operatie, chemotherapie, radiotherapie of een combinatie hiervan. Ook kan sinds enige tijd immunotherapie worden ingezet. Wordt er wel zo’n specifieke mutatie gevonden, dan kan een doelgerichte therapie (targeted therapie) gegeven worden.

Doelgerichte therapie

Welke mutaties zijn er al ontdekt? De meest bekende mutaties binnen longkanker zijn tot nu toe de EGFR-, KRAS- en ALK-mutatie. Deze mutaties komen voor bij adenocarcinoom en grootcellig carcinoom, beide vormen van niet-kleincellige longkanker. Voor een aantal van deze mutaties zijn inmiddels succesvol medicijnen ontwikkeld die artsen hun patiënten al voorschrijven. Helaas genezen deze medicijnen de longkanker nog niet, maar ze kunnen wel de tumorgroei terugdringen of (tijdelijk) stopzetten. Zo voegen deze medicijnen tijd toe aan iemands leven.

EGFR

Bij ongeveer 10% van de patiënten met longkanker wordt een activerende EGFR-mutatie gevonden. Zij reageren vaak goed op medicijnen die EGFR-blokkeren. Helaas bestaan er ook EGFR resistente mutaties die ongevoelig zijn voor de blokkers. Op dit moment zijn er studies met medicijnen die mogelijk ook werkzaam zijn bij deze groep patiënten.

KRAS

Bij ongeveer drie op de tien patiënten is er sprake van een KRAS-mutatie. Vooralsnog lijkt chemotherapie dan de beste behandeling. Al dan niet in combinatie met een zogenoemde angiogeneseremmer. Dit medicijn remt de vorming van bloedvaten rond de kankercellen. Kankercellen krijgen zo geen zuurstof en voedingsstoffen en sterven. Zo versterkt een angiogeneseremmer de werking van chemotherapie.

ALK

Bij ongeveer één op de twintig patiënten wordt een ALK-fusie gevonden. Ook dit is een verandering in het DNA. Kankercellen die positief zijn voor ALK kunnen bestreden worden met medicijnen die de werking van ALK blokkeren.

Aanvullende analyses

In sommige ziekenhuizen wordt niet alleen gezocht naar EGFR-, KRAS- en ALK-mutaties, maar ook naar mutaties in de genen HER2, BRAF, RET en ROS1. Dit wordt nog niet in elk ziekenhuis gedaan. Het is belangrijk om u als longkankerpatiënt te laten informeren op welke mutaties u bent getest. Wellicht komt u in aanmerking voor een op maat gemaakt medicijn of kunt u deelnemen aan een klinische studie in een ander ziekenhuis. Vraag hiernaar bij uw arts.

Immuuntherapie longkanker

Een van de nieuwste innovaties op het gebied van behandelingen is immuuntherapie. De eerste immuuntherapie voor behandeling van patiënten met longkanker kwam medio 2015 beschikbaar in Europa. De therapie zorgt ervoor dat de camouflage die kankercellen gebruiken, wordt opgeheven. Zo kunnen de eigen afweercellen de kankercel weer beter herkennen als vreemde cel en deze vervolgens vernietigen.

Kankercellen herkennen

Voorbeelden van immuuntherapieën zijn de zogenaamde PD-L1 en PD-1 remmers. PD-L1 en PD-1 zijn eiwitten die ervoor zorgen dat een kankercel niet door het immuunsysteem wordt opgeruimd. Door PD-L1 en PD-1 remmers te gebruiken worden de kankercellen beter herkend en vernietigd.

Onderzoek naar voorspellende kenmerken

Een deel van de patiënten reageert goed op immuuntherapie. Bij hen zorgt het stimuleren van het immuunsysteem ervoor dat de T-cellen de tumorcellen weer te lijf kunnen gaan. Helaas zijn niet alle tumoren gevoelig voor immuuntherapie. Dat betekent dat niet elke patiënt hier profijt van heeft. Roche ondersteunt daarom wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken die zouden kunnen voorspellen welke patiënten wel of geen baat hebben bij de behandeling.

Feiten en cijfers

  • Elk jaar krijgen in Nederland ruim 12.000 mensen te horen dat zij longkanker hebben.
  • Onder de 12.168 mensen die in Nederland in 2016 longkanker kregen, waren 6.803 mannen en 5.365 vrouwen.
  • Roken is nog steeds de grootste oorzaak van longkanker.
  • 108.402 mensen krijgen in Nederland per jaar kanker. In 11% van de gevallen betreft het longkanker.
  • Longkanker is de 4e meest voorkomende kankersoort in Nederland.
  • 19% van de mensen met longkanker is 5 jaar na de diagnose nog in leven (cijfers uit periode 2011 – 2015).
  • 11% is 10 jaar na de diagnose nog in leven (cijfers uit periode 2006 – 2010).